Het volgende artikel schreef ik in 2007.

 

Hersenwetenschap en “Ik”.

 

De laatste jaren verschenen er in Trouw, in andere dagbladen en in tijdschriften, regelmatig artikelen over de moderne hersenwetenschap. Daarin wordt vaak het bestaan van het menselijke “Ik” ter discussie gesteld. In het artikel (in Trouw) “Onder ons schedeldak blijkt niemand thuis”, schrijft Rob van Lier (Universitair docent aan het instituut voor cognitie en informatie aan de Radboud Universiteit Nijmegen): “Het organisme kan vergeleken worden met een complexe machine met de vrije wil als bonus-illusie”. We hebben zelf dus niks te willen maar moeten ons gedragen volgens de wetten die ons worden opgelegd door onze hersenprocessen. We zijn slechts automaten en ons “Ik” is slechts een projectie. Het is de ontmythologisering van het menselijke “Ik”. De god die vroeger in het diepst van onze gedachten ten troon zat, blijkt een slaaf van de materie te zijn. Is het werkelijk zo dat als de hersenwetenschappers het “Ik” niet in de hersenen kunnen vinden, dat het “Ik” dan niet bestaat? Dit artikel is een pleidooi voor de volgende stelling: Het “Ik” zelf is geen illusie maar veel hersenwetenschappers leven in de illusie dat als het “Ik” zou bestaan dat het dan als objectief aanwijsbaar product in de hersenen gevonden zou moeten worden.

 

                                     Materie en geest.

 

In de hersenwetenschap laait de aloude strijd weer op om tot een begrip te komen van de verhouding tussen materie en geest. De hersenwetenschap wordt naar mijn mening sterk gedomineerd door het materialisme dat alleen de materie werkelijkheidswaarde toekent. De hele menselijke binnenwereld van gedachten, gevoelens, begeerten en het als centrum beleefde “Ik”, is vanuit dit gezichtspunt een illusie, louter een product van materiële processen. Het heeft geen eigen bestaan maar borrelt als het ware op uit biologische natuurprocessen. Net zoals er gasbellen opstijgen uit kokend water zo zou de geest moeten ontstaan uit de materie. De methodische consequentie van deze wereldbeschouwing is natuurlijk dat de ervaringen die in de binnenwereld worden opgedaan (introspectie) verklaard moeten worden door processen die in de buitenwereld worden waargenomen met de zintuigen. Het verklaren moet van buiten naar binnen of van beneden naar boven (bottom up) gebeuren en dan causaalanalitisch. Overal komt men deze manier van benaderen tegen. Zo las ik in National Geografic (feb. 2006) in een artikel van Lauren Slater:

 “….Om de complexiteit van de liefde te verklaren hebben wij in het westen altijd onze toevlucht gezocht tot verhalen, waarin veelal jaloerse goden en pijlen voorkwamen. Wat zal er van deze verhalen overblijven nu wetenschappers hetgeen we eerder voor magisch hielden, in koele formules pogen te vatten? Voor het eerst is de wetenschap zover dat ze kan aanwijzen waar in de hersenen de liefde is gelokaliseerd en de details van haar bestanddelen kan ontrafelen”.

Men is verheugd en bevredigd door de uiterlijke biochemische verklaring van de innerlijk beleefde liefde. Met het aanwijzen van een “liefdes kwabje”, (of liefdesstofje zoals oxytocine) in de hersenen en de beschrijving van de daarin plaatsvindende materiële processen is de liefde wetenschappelijk begrepen.

Aangezien er nog geen “Ik-kwabje” in de hersenen is gevonden staat het nu ter discussie.

Een ander standpunt zou kunnen zijn dat de totaliteit van de hersenen het “Ik” vertegenwoordigt. Dat is dan het schakelcentrum waar vanuit de automaat gestuurd wordt. Dit is ongeveer het standpunt van Dick Swaab (jaren na dit artikel, in 2013, verscheen van hem: Wij zijn ons brein).

 

Het materialistische standpunt ten opzichte van therapie.

 

Hersenwetenschappers zijn vaak neurologen, psychiaters en psychologen. Het zijn hulpverleners. Hoe moet de hulpverlening plaatsvinden vanuit het standpunt van het materialisme? Omdat de binnenwereld als passief product wordt gezien van materiële factoren, moet de therapie uiteraard op de materiële wereld gericht zijn. Er kan gedacht worden aan de biologische psychiatrie die de hersenprocessen chemisch probeert te beïnvloeden. Of aan de neurofeedback.  Bij neurofeedback worden je hersengolven in kaart gebracht en vergeleken met gezonde hersengolven. Daarna wordt er een behandelplan opgesteld dat erop gericht is je hersengolven om te buigen naar het gezonde patroon. Daarvoor moet je 20 minuten voor een beeldscherm zitten en worden door beeld en geluid je hersengolven beïnvloed. Door voortdurende herhaling verwacht men de hersenprocessen langdurig of zelfs blijvend te veranderen. Ook het plaatsen van chips in de hersenen is een ingreep van buiten af. In Trouw (7 augustus 2006) voorspelt de neuroloog Michel van Putten: “Neuroprotheses, elektronica in het brein, gaan een grootse toekomst tegemoet, niet alleen bij patiënten, maar ooit wellicht ook bij gezonde mensen die iets extra’s willen….Mensen die hun handen vol hebben aan hun werk, kunnen best een extra output kanaal gebruiken. Bijvoorbeeld een sensor die meet hoe slaperig ze zijn. Over vijftig jaar mogen vrachtwagenchauffeurs misschien pas achter het stuur kruipen nadat ze hun hoofd op een usb-stick hebben aangesloten”.

Dit is typerend voor het materialisme dat de verantwoordelijkheid bij het individu wil weghalen om de controle mechanisch (of chemisch) te laten verlopen. De mens wordt gezien als automaat en dus ook als zodanig behandeld. Voor deze therapieën is geen inzicht en geen inzet vereist van de patiënt. Het wordt aan hem gedaan, hij ondergaat de “reparatie”.  Hij laat aan de therapeuten over welke medicijnen ze voorschrijven, hoe ze onderscheid maken tussen gezonde- en ongezonde hersengolven enzovoorts.

 

Het spiritualisme.

 

De tegenpool van het materialisme is het spiritualisme. Het spiritualisme ziet alleen de geest als werkelijk en de materie als een soort speelbal in handen van de geest. Ik heb deze wereldbeschouwing nooit gevonden bij hersenwetenschappers en gebruik het alleen als contrast tegen het materialisme. Terwijl het “Ik” bij de materialisten in onmacht is ten opzicht van de materie, is het “Ik” bij de spiritualisten de god die de materie boetseert.

 

In mijn eigen wereld neem ik de innerlijke ervaring en de uiterlijke ervaring beide serieus. Hoe de verhouding tussen die twee is, zal uiteindelijk door de denkende beschouwing van die twee ervaringswerelden beslist moeten worden. De onderzoeksresultaten van de hersenwetenschap moeten daar ook een plaats in krijgen want ik behoor niet tot de mensen die daar zomaar omheen denken te kunnen. Wat de hersenwetenschap betreft steun ik vooral op de volgende boeken: “Neurofilosofie, hersenen, bewustzijn, vrije wil”, van Johan A. den Boer”, (2003) en “Het maakbare brein, gebruik je hersens en word wie je wilt zijn”, van Margriet Sitskoorn.

Den Boer vat zijn conclusies samen in de eerste zin van zijn voorwoord: “Dit boek gaat over hersenen, mentale processen en omgeving. Het gaat over de mens”. Volgens hem is deze trias onlosmakelijk met elkaar verbonden. De trias van den Boer is mij niet helemaal duidelijk. Ik weet niet precies waar mijn romp en mijn ledematen in deze trias past. Moet ik ze als hersenaanhangsel of als omgevingsfactor beschouwen? Ook de term “mentale processen” is voor mij niet helemaal duidelijk. Wordt het denken bedoeld, of ook de gevoelens en de begeerten? Naast het woord “mentale processen” gebruikt den Boer soms ook de variant “mentale activiteiten”. De vraag is nu hoe volgens den Boer de krachtverhoudingen liggen binnen de door hem geformuleerde trias. Aan het einde van zijn voorwoord schrijft hij:”De geest heeft een stoffelijke oorsprong en het meest fascinerende dat de neurowetenschappen hebben laten zien is dat al onze mentale vermogens uiteindelijk afkomstig zijn uit een interactie tussen materiële processen en omgevingsfactoren”. Hoewel ik de hersenwetenschap ook fascinerend vind, laat zij mijns inziens nergens zien hoe het mentale uit de materie en de omgevingsfactoren geboren wordt. Ook den Boer toont dat niet aan. Wat hij wel overtuigend laat zien, is dat de hersenprocessen en de omgeving een grote invloed uitoefenen op de mentale factoren, maar dat is iets anders dan dat de geest op zou borrelen uit de materie. Dat laatste is een levensbeschouwelijk standpunt dat ik eerder als het materialisme heb beschreven. Nergens laat hij zien hoe dat mysterieuze scheppingsproces van de geest uit de materie plaats vind. Hij zegt dat er niet zo iets als “mind stuf” is en dat de geest niet vrij zwevend is. De feiten zijn dat hij alleen mensen onderzoekt waarbij de geest inderdaad in het lichaam zit en dus door fysieke factoren beïnvloed wordt. De vraag of er ook een buitenlichamelijk, lichaamsonafhankelijk bewustzijn kan bestaan, daarover gaat zijn onderzoek niet. Mijn wereld is echter groter dan de hersenwetenschap en ik interesseer me ook voor het werk van de cardioloog Pim van Lommel (www.merkawah.nl). Hij verzamelt ervaringen van mensen die klinisch dood zijn geweest (geen hersenactiviteit en geen bloeddruk meer). Het merkwaardige is dat die mensen soms getuigen van buitenlichamelijke ervaringen waarbij het bewustzijn heel helder is. Ze kunnen hun eigen lichaam van boven bekijken en ook andere waarnemingen doen die later te staven zijn. Ook dit is onderzoek waar ik mij niet aan wil  onttrekken. In dit verband wil ik ook het boek “Terugkeer uit de dood”, van George G. Ritchie noemen die een wel zeer uitgebreide buitenlichamelijke ervaring beschrijft. Hoewel ik natuurwetenschappelijk opgeleid ben (biologie), zie ik niet in waarom ik ervaringen die niet natuurwetenschappelijk verklaarbaar zijn als onzin zou moeten af doen.

Mijn conclusie is meer: als we het bewustzijn willen verklaren komen we niet uit met natuurwetenschappelijke wetten.

Volgens den Boer moeten bovenstaande ervaringen onmogelijk zijn omdat het niet past in zijn mensbeeld van de onverbrekelijke trias van mentale processen, hersenprocessen, omgeving. Volgens hem kunnen de mentale processen zich niet van de hersenprocessen losmaken en zijn ze daarvan afhankelijk, zowel wat betreft hun ontstaan als wat betreft hun functioneren. Den Boer gebruikt de materialistische methodiek die het raadsel van de menselijke vrijheid uit materiële processen en omgevingsfactoren naderbij wil komen. Hij werkt “bottom up”, van beneden naar boven. De vrijheid kan echter niet “bottom up” als objectief natuurproces gevonden worden maar alleen door een innerlijk proces “top down” gerealiseerd worden. Ik kom daar later nog op terug. De kiemen van dit gezichtspunt zijn trouwens ook in het werk van den Boer te vinden. Zo schrijft hij o. a. : “Gedachten kunnen nu eenmaal gedachten oproepen zonder oorzakelijke tussenkomst van processen in de hersenen. De vraag die wij nog niet kunnen beantwoorden is hoe het mogelijk is dat het mentale een zekere autonomie heeft terwijl het afkomstig is uit de hersenen. Als de opeenvolging veroorzaakt wordt door processen in de hersenen dan verdwijnt de idee van vrijheid uit onze vocabulaire en daarmee is de verantwoordelijkheid voor ons handelen een illusie (p. 74)”. Zijn probleem ontstaat als gevolg van de introspectieve ervaring dat men zich in het denken kan richten op de inhoud van de gedachten en daar creatief en vrij mee om kan gaan. Dat is voor hem moeilijk te rijmen omdat hij het denken als hersenvoortbrengsel beschouwt. Hoe kunnen door materiële hersenprocessen voortgebrachte gedachten zich aan de materiële oorzakelijkheid onttrekken? En hoe kunnen die uit de materie ontstane gedachten weer terugwerken op de materie? Kan dat überhaupt wel? ? “Ja”, zegt hij: “…mentale veroorzaking is iets waar wij niet simpelweg omheen kunnen (p. 75)”.  Hier stuiten twee ervaringswerelden op elkaar: de alledaagse innerlijke ervaring dat men kan denken wat men wil, en de uiterlijke ervaringen van de hersenwetenschappers dat zich tijdens het denken hersenprocessen afspelen. Hoe ik die twee wil rijmen zal ik verwoorden na een intermezzo.

 

Empirisch onderzoek aan het “Ik”.

 

Ik ben nogal empirisch ingesteld. Een mensbeeld opbouwen uit louter abstracte gedachten spreekt mij niet aan. Waarnemingen moeten volgens mij het uitgangspunt zijn voor het ontwikkelen van een mensbeeld. Dat hoeven niet persé zintuiglijke waarnemingen te zijn. De ervaringen die men in de eigen binnenwereld kan opdoen neem ik ook serieus. Mijn “Ik” vind ik niet als product in de buitenwereld maar als innerlijke ervaring. Hoe kan ik daar empirisch onderzoek mee doen? Ik ben enkele jaren geleden begonnen met een systematisch onderzoek. Ik ontdekte het bestaan van een boekje met innerlijke oefeningen die de macht van het “Ik” over het eigen leven zouden vergroten. Men zou meer regisseur en minder slaaf van het leven worden als men die oefeningen zou doen. Eerst ervaren en dan geloven is mijn instelling, dus ben ik aan het werk gegaan. Het boekje heet “Het zesvoudige pad” en is geschreven door Joop van Dam (antroposofisch arts). Hij maakte de oefeningen die Rudolf Steiner (grondlegger van de antroposofie) ooit zeer kort beschreef, meer toegankelijk. Ik behandel de oefeningen in vogelvlucht en beschrijf mijn eigen ervaringen daarbij.

  1. Controle over de gedachten.

Het is de bedoeling dat men dagelijks een eenvoudig gebruiksvoorwerp in de hand neemt (bijvoorbeeld een kaasschaaf, een asbak, een kopje) en dat voorwerp zeer nauwkeurig bekijkt en dan minstens vijf minuten over dat voorwerp nadenkt. Alle gedachten moeten met dat voorwerp samenhangen. Door deze oefening wordt je je veel bewuster van je eigen gedachten. Je moet namelijk steeds controleren of je gedachten nog wel bij het voorwerp zijn. Je denkt niet alleen, maar neemt je eigen gedachten ook waar als controleur. Als je waarneemt dat je bent afgedwaald, keer je weer tot het voorwerp terug. Het blijkt dat deze oefening niet gaat zonder inspanning. Het denken staat tot het associëren als het roeien staat tot het ronddobberen. De effecten op langere termijn zijn opmerkelijk  Het nerveuze rondvliegen van de gedachten wordt stukken minder, ook buiten de oefening. Daardoor ontstaat er meer innerlijke rust.

  1. Controle over het handelen.

Men neemt zich steeds voor de volgende dag een eenvoudige handeling voor die op geen enkele manier door de buitenwereld verlangd wordt. Men legt ook het tijdstip van te voren precies vast. Bijvoorbeeld: morgen om 19.00 uur loop ik een keer om de salontafel heen met de klok mee. Lijkt niet moeilijk maar in het begin vergeet je het nog wel eens. De drijfveer van onze dagelijkse handelingen ligt namelijk meestal in de buitenwereld. Het is nu de kunst om werkelijk creatief vanuit het “Ik” te handelen los van uiterlijke belangen. De effecten op langere termijn zijn dat men steeds minder dingen wil die buiten het eigen vermogen liggen. Men wordt realistischer en ook initiatiefrijker. En men gaat ook steeds bewuster om met de tijd.

  1. Gelatenheid in het gevoelsleven.

Het is de bedoeling om je meer bewust te worden van je gevoelens, er als het ware naar te kijken. Een methode is om iedere dag een kwartiertje terug te blikken op de dag om alle gevoelens die er zijn geweest in kaart te brengen. Na verloop van tijd begint men zich ook tijdens de dag steeds meer te betrappen op de gevoelens van dat moment. Er blijken steeds meer gevoelens te zijn, ook hele tere en subtiele gevoelens die men vroeger nooit opmerkte. Door meer aandacht aan die laatste te geven, treden de drammerige gevoelens wat terug en kan er meer harmonie ontstaan. Als men leert om meer objectief naar de gevoelens te kijken, maakt men zich los uit de dwang die er van gevoelens kan uit gaan.

  1. Positiviteit.

Door de bewustwording van het gevoelsleven blijken er veel negatieve gevoelens te zijn zoals bijvoorbeeld irritatie, ongeduld en angsten. Als men zich ergert aan een bepaald persoon duwt men die persoon eigenlijk weg en sluit men zich af. Bij de positiviteits oefening is het de kunst om op zo’n moment actief te zoeken naar een positieve eigenschap en zo dus in contact te blijven. Ook bij opkomend ongeduld bij een op rood springend stoplicht kan men er voor kiezen bewust te zoeken naar iets moois. Vlak naast het stoplicht kan men dan bijvoorbeeld een sneeuwklokje bewonderen. Door deze oefening leert men zich door eigen kracht te openen in situaties waarbij negatieve gevoelens opkomen. Dat is heel vruchtbaar in conflictsituaties. Het gaat er dus niet om de negatieve gevoelens te ontkennen maar om er uit eigen initiatief iets tegenover te zetten.

  1. Onbevangenheid.

Het is de eigenschap die kinderen van nature hebben en die volwassenen zich door inzet weer kunnen eigen maken. Het is de kunst om in bekende situaties steeds weer nieuwe dingen te ontdekken. Het oordelen moet tot zwijgen worden gebracht en men moet bereid zijn ervaringen toe te laten die nog volledig onbekend zijn en die misschien (nog) niet passen in het oude wereldbeeld. Daar is moed en vertrouwen voor nodig want wat onbekend is dat is vaak onbemind. Deze oefening leidt tot een open en geïnteresseerde houding naar de toekomst toe: wat zal deze dag weer voor nieuws brengen?

  1. In evenwicht brengen van de bovenstaande oefeningen.

 

Ik gaf u deze schets om u te laten meekijken naar de ervaringen die later in mijn slotbetoog een belangrijke rol zullen spelen. Maar nu eerst naar Margriet Sitskoorn. Zoals eerder gezegd schreef zij het boek “Het maakbare brein, gebruik je hersens en word wie je wilt zijn”. Ik wil slechts een paar zaken uit haar vlot geschreven boek naar voren halen. Ze laat zien dat de hersenen geen statische schakelkast zijn, zoals vroeger werd gedacht, maar een plastisch geheel waarin voortdurend dingen veranderen. Het blijkt dat je hersenen veranderen onder invloed van het gebruik van je zintuigen en motoriek, van emoties, van cognitieve vaardigheden, van meditatie, enzovoorts. We zijn dus niet alleen gebruiker maar ook architect van onze hersenen. Het is aan onszelf in welke richting wij onze hersenen willen ontwikkelen. Over deze laatste vorm van plasticiteit zegt Sitskoorn: “Het lijkt misschien paradoxaal maar de invloed die je zelf over het vormen van je hersenen krijgt, neemt zelfs toe naarmate je ouder wordt” (p. 146). Dat het leven pas begint bij 40, heeft dus een hersenwetenschappelijke kern van waarheid. We zijn na die tijd beter in staat een individueel stempel op onze hersenen te zetten. Dat is toch een opzienbarende ontdekking! Vandaar ook de prikkelende titel die mensen uitdaagt om uit de leunstoel te komen om iets te gaan oefenen, om kansen te benutten. Sitskoorn wijst ons op het feit dat wij bewuste keuzes moeten maken, dat wij de verantwoording voor de vorming van onze hersenen op ons moeten nemen. Dat klinkt heel anders dan het materialistische standpunt waarbij het “Ik” een passief product is van materiële factoren. Dan ga ik nu over tot mijn slot betoog.

 

                                            Slotbetoog.

 

Ik ben van mening dat ik u geen bewijs kan leveren voor het bestaan van het menselijke “Ik” en van mijn “Ik” in het bijzonder. Het onderstaande moet slechts als getuigenis van het “Ik” opgevat worden. Wellicht beschrijf ik iets wat u ook uit eigen ervaring kent. Ik ervaar mijn eigen “Ik” als iets geestelijks, als een geest. Deze geest werpt licht op de ervaringen van het leven. In de geest ervaar ik ideeën  en daaronder ideeën die ik wil verwerkelijken. Dat zijn mijn idealen, mijn normen en waarden. Als ik idealen wil verwerkelijken dan heb ik mijn lichaam nodig. In de geest kan ik allerlei abstracte algemene normen bedenken maar daar wordt de wereld en ook ik niet beter van. Waarmaken van idealen moet noodzakelijkerwijs een individuele daad zijn. Wat voor ideaal ik ook nastreef, ik ondervind altijd weerstand. Die weerstand heeft met het lichaam te maken. Het lichaam heeft een bepaalde traagheid, het is weerbarstig en voegt zich niet automatisch naar mijn plannen. Ik kan bijvoorbeeld vandaag beslissen dat ik mij niet meer aan mensen ga ergeren omdat dat een werkelijk contact in de weg staat. En de volgende dag doe ik het weer! Het lijkt een soort automatisch verlopend proces waar ik met mijn “Ik” geen vat op heb. Pas na lang oefenen met het zesvoudige pad lukt het om met mijn “Ik” een stempel te drukken op die bijna automatische processen en ze om te buigen in de richting die ik wil. Als het toch enigszins lukt voelt dat als een overwinning, als een bevrijding. Wat voor ideaal ik ook heb, er moet altijd voor gestreden worden. Hoe hoger de idealen hoe harder de strijd. En die strijd maakt voor mij een belangrijk deel van mijn levensgeluk uit. Die strijd ligt voor mij ook op het gebied van het kennen. Ik heb een sterke drang om al de ervaringen die ik op doe in het leven en alle ervaringen die ik van andere mensen ken, in een soort allesomvattend geheel te zien. Daar is ook strijd voor nodig. Een strijd die nooit ophoudt omdat er steeds weer nieuwe ervaringen bij komen. Ook dat is een prachtige fascinerende strijd waar ik veel plezier aan beleef. Een van de dingen waar ik mij de laatste jaren intens mee bezig heb gehouden, is de hersenwetenschap. Ik kon eerst niet begrijpen hoe hersenwetenschappers zoals bijvoorbeeld Rob van Lier het menselijke “Ik” als illusie konden zien. Als we het mensbeeld van van Lier op hem zelf toepassen, dan zou hij dus een automaat zijn die geen vrije wil heeft. Zijn artikel zou dan dus tot stand gekomen zijn door automatisch schrift waar hij zelf niet verantwoordelijk voor is. Verantwoordelijkheid is immers gekoppeld aan de vrije wil en die zou volgens hem een illusie zijn. Ik begrijp niet hoe zo’n mensbeeld hem zelf bevredigt. In het artikel van hem dat ik eerder aanhaalde schrijft hij: : “Er zijn grote sprongen voorwaarts gemaakt (door de hersenwetenschap, H. S.) maar……toch is het de vraag of het ultieme inzicht in de aard van ons bewustzijn dichterbij is gekomen”. Dat houdt de deur open naar nieuwe ontdekkingen. Toch moeten hersenwetenschappers zich mijns inziens eens de vraag stellen:”Zullen wij ooit de geest in de hersenprocessen vinden, of moeten we de geest daar zoeken waar hij te vinden is, namelijk van binnen.? “. Bij mij is de geest door introspectie te vinden. Het woord “Ik” geeft dat al aan. Het verwijst niet naar buiten maar naar binnen. Men kan hersenprocessen bestuderen wat men wil, men zal alleen hersenprocessen vinden, geen “Ik”. Wat men wel kan vinden is het gevolg van de arbeid van het “Ik” aan de hersenen. Maar dat is niet het “Ik” zèlf. De geest zelf zal zich altijd, krachtens zijn aard, aan de zintuiglijke waarneming onttrekken. Dat het “Ik” nooit in de hersenen gevonden zal worden betekent niet dat het niet bestaat. Voor het “Ik” geldt: “Ken u zelve”, en niet : “Ken de hersenprocessen”. Het “Ik” is als een slang die in zijn eigen staart bijt. Door steeds verder opgevoerde concentratie oefeningen kan men de eigen toegenomen innerlijke kracht als het ware grijpen. Naar binnen gaat de weg van het “Ik”, en daarna weer naar buiten door de handeling. In de handeling manifesteert zich het “Ik”. Beïnvloeding van de hersenprocessen is daar een gevolg , of een onderdeel van. Als Margriet Sitskoorn zegt:”Gebruik je hersens en word wie je wilt zijn”, dan is dat voor mij heel begrijpelijke taal. Dat sluit aan bij mijn eigen ervaringen. Het feit dat ik pas na lange inspanningen mijn idealen kan verwezenlijken hangt samen met het omvormingsproces van mijn hersenen. Dat gaat niet één twee drie. Als zij zegt dat je op latere leeftijd meer mogelijkheden krijgt om je hersenen in unieke individuele richting om te vormen, dan geeft dat moed en troost. Sitskoorn gaat er gewoon van uit dat wij verantwoordelijkheid kunnen dragen en spreekt ons daar ook op aan. Zelf neemt zij ook maatschappelijke verantwoordelijkheid met haar boek. Want behalve bieder van troost is zij ook klokkenluider. Wij (of onze kinderen) kunnen ons niet ongestraft dagelijks twee uur aan gewelddadige computergames overgeven. Onze hersenen veranderen daarvan. Misschien kunnen we ons in die zelfde tijd beter overgeven aan de pogingen om een muziekinstrument te leren bespelen. Daarmee veranderen we onze hersenen in een richting die meer gezond is. Met muziek ontwikkelen we ook ons gevoelsleven want muziek maken zonder gevoel lukt niet. Het standpunt van Sitskoorn is veel vruchtbaarder dan het rondbazuinen dat we geen “Ik” zouden hebben, niet instaat tot enige vrije wil. En daarmee ben ik aan het einde gekomen van mijn betoog. Als hersenwetenschappers willen beweren dat we geen “Ik” hebben, dan zeg ik: spreek voor uzelf!

 

Johan A. den Boer – “Neurofilosofie, hersenen, bewustzijn, vrije wil”.

Joop van Dam – “Het zesvoudige pad, basisoefeningen voor spirituele ontwikkeling”.

Margriet Sitskoorn – “Het maakbare brein, gebruik je hersens en word wie je wilt zijn”.

 

Henk Schutte

 

Opmerking: Zeven jaar nadat ik dit artikel schreef, verscheen het boek "Mijn brein denkt niet, ik wel" van de huisarts Arie Bos (2014). Hij maakt daarin op een rustige en grondige manier korte metten met het neurodeterminisme. Een fascinerend boek waarin innerlijke ervaringen ook serieus worden genomen. Voor mezelf een verademing.